Durven & Ondernemen

Mythes rond de ecologie van zonneparken en tips voor meer biodiversiteit in een zonnepark

Op verjaardagsfeestjes en in de sportkantine lijkt iedereen een mening over zonneparken te hebben. Deels over het nut van zonneparken in algemeenheid, maar ook deels over de ecologie ervan. “Onder zonnepanelen groeit niets”, “Zonneparken zijn slecht voor de bodem” en “Er komt altijd een lelijk hek rond zo’n zonneweide”. Veel van die uitspraken berusten op een misverstand, liggen genuanceerder of kloppen simpelweg niet. Daarom in dit blog zes mythes rond de ecologie van zonneparken ontkracht. En onderaan een aantal praktische tips voor meer biodiversiteit in een zonnepark.

Vooraf

Laat ik voorop stellen dat veel zonneparken lelijk zijn, op ongeschikte locaties worden ontwikkeld, een paar mensen flink geld opleveren terwijl omwonenden er niets aan hebben en bovendien geen ecologische meerwaarde hebben. Ik begrijp dus dat veel mensen kritisch zijn op zonneparken. Dit artikel gaat niet over de vraag of we zonneparken moeten bouwen, waar dat moet en wie dan moet profiteren. Dat soort discussies worden al op allerlei plekken gevoerd. Ik constateer dat er zonneparken ontwikkeld worden en dat dat effect heeft op de ecologie in een gebied. Dit artikel gaat puur over die ecologische effecten.

Mythe 1: “Onder zonnepanelen groeit niets”

Onder een ‘tafel’ zonnepanelen komt minder zon en minder regenwater. Veel mensen denken dat er dus niets kan groeien onder zo’n tafel zonnepanelen. Maar dat is niet waar.

De panelen sluiten nooit naadloos op elkaar aan. Regenwater stroomt deels tussen de kieren tussen de panelen en waait vervolgens afhankelijk van de wind wat opzij. Onder de panelen komt dus gewoon regenwater, al zal het meestal wat minder zijn dan zonder panelen. Aan de lage kant van de tafel zal een strookje zijn waar juist wat meer regenwater komt, omdat een deel juist van de tafel af naar het laagste punt stroomt. Onder de panelen komt dus wat minder regenwater, maar doordat de zon de bodem daar ook minder bereikt, verdampt het water ook minder snel en blijft er voldoende water achter voor planten om goed te groeien.

Planten die groeien onder rijen zonnepanelen

Net als in een donker bos kan er van alles groeien in de schaduw en halfschaduw. Vaak komt er aan het begin en het eind van de dag toch wat zon zijwaarts onder de panelen. En indirect strooilicht bereikt de bodem onder de panelen. Sommige planten houden daarvan. Andere niet. Dus onder panelen zullen meestal andere planten groeien dan tussen de rijen. Zo kan er een situatie ontstaan met zonminnende planten tussen de rijen panelen en schaduwminnende planten onder de panelen. Vanuit ecologisch oogpunt is dat meestal diverser dan een situatie met maar één type planten.

Er zijn twee dingen die ontwikkelaars kunnen doen om deze effecten te vergroten.
1) Bij zonneparken met zogenaamde ‘oost-west-opstelling’ is het veel lastiger voor de zon om de grond te bereiken dan bij parken gericht op het zuiden. Vanuit ecologisch oogpunt heeft een traditionele opstelling dus ook de voorkeur.
2) Door tussen de panelen in de tafels ongeveer een centimeter speling te houden, kan regenwater nog makkelijker tussen de panelen stromen. Een kleine aanpassing zonder extra kosten met een groot effect.

Door kleine hoogteverschillen in de bodem stroomt water, vooral op kleigrond, ook zijwaarts. Hier staan forse plassen onder de panelen, een dag of 3 na de regen.

En zelfs als er weinig groeit onder de panelen, is dat ecologisch gezien niet altijd een probleem. Zo’n 80% van de soorten wilde bijen in Nederland nestelt bijvoorbeeld ondergronds. Meestal in open zandige stukjes die niet volledig dichtgegroeid zijn.

Mythe 2: “Zonneparken zijn slecht voor de bodem”

Veel zonneparken worden ontwikkeld op voormalige landbouwgrond. Sommigen op ongebruikt industrieterrein. Bij landbouwgrond is er een groot verschil tussen akkers waar jaarlijks geploegd wordt en weides waar dat niet wordt gedaan.

Zonnepark op een voormalige akker
In een gezonde bodem zit veel leven. Denk aan nematoden, protozoa, bacteriën, schimmels en natuurlijk wormen. Wormen leven vooral van de eerder genoemde levensvormen die plantaardig materiaal voor ze afbreken of voorbewerken. Er zijn talloze soorten nematoden, protozoa, bacteriën, schimmels. Veel daarvan hebben een hele specifieke diepte waarop ze leven. Een bacteriesoort die 3 cm diep zit overleeft het niet op 25 cm diepte en andersom. Door te ploegen wordt dat allemaal in de war gegooid en sterft dus een groot deel van het bodemleven. Voor het telen van eenjarige gewassen is dat prima. Want al die dode micro-organismen laten hun voedingsstoffen los en daardoor groeien de hongerige eenjarigen goed op. Maar op lange termijn put dat de bodem wel uit.

Moderne trekkers zijn groot en dus zwaar. Met dat gewicht drukken ze de bodem ineen. De bovenste 30 tot 60 cm kun je met een ploeg weer los maken, maar daaronder vormt zich een harde laag grond: de ‘ploegzool’. Afhankelijk van onder andere de grondsoort en de frequentie van bewerken e.d. kan dat een ondoordringbare laag worden. Dit is de reden dat je vaak een paar dagen na flinke regen plassen op akkers ziet staan, terwijl die bij een weiland ernaast al weggetrokken zijn. Een deel van het bodemleven verzuipt als het te lang onder water staat.

Schimmels (mycorrhiza) vormen een belangrijke schakel in de afbraak van organisch materiaal. Maar ze blijken ook enorme netwerken te vormen waarin voedingsstoffen worden uitgewisseld met en tussen vaste planten. Ook vormen ze voeding voor ander bodemleven. Door te ploegen worden die netwerken doorsneden en vallen ze uiteen.

Veel insecten leven in de bodem. Zo’n 80% van de 350 inheemse bijensoorten in Nederland nestelt in de grond. Veel soorten zijn een week of 6 bovengronds te zien als bij, maar leven de rest van het jaar onder de grond als eitje of larve. Bij elke keer dat geploegd wordt, sterft een hele generatie van die larven.

In een zonnepark wordt de grond ook beroerd bij de aanleg. Maar daarna krijgt de grond in de basis 15 tot 20 jaar ‘rust’. Schimmels kunnen weer groeien, bodemleven kan weer op aantal komen, insecten kunnen weer nestelen. En zelfs de ploegzool kan langzaam doorbroken worden als eenjarige gewassen plaats maken voor dieper wortelende vaste planten. Met hun diepe wortels doorbreken ze langzaam de ploegzool. Sterft zo’n plant af, dan ontstaan een dun kanaaltje in de harde laag waardoor regenwater kan wegstromen en andere planten makkelijker kunnen wortelen.

Komt een zonnepark op een voormalige akker, dan is het veilig te stellen dat de bodem en het bodemleven er dus op vooruit gaan.

Zonnepark op een voormalig weiland/grasland
Bij een zonnepark op een voormalig weiland is het lastiger te zeggen of dat goed of slecht is voor de bodem en het bodemleven. In beide gevallen gaat het over een grasachtig of kruidenrijke korte vegetatie die af en toe kort gehouden wordt door vee of maaimachines. In beide gevallen ligt het vooral aan hoe dat gebeurt. Kiest de boer ervoor ook het weiland eens in de zoveel jaar te ‘resetten’ door er gif op te spuiten of het om te ploegen en opnieuw in te zaaien? Of kiest de boer een aanpak met lichte begrazing en maaien met licht materieel? Kiest de zonneparkontwikkelaar ervoor alles strak en kort te maaien om schaduwwerking tegen te gaan? Of krijgen inheemse kruiden de ruimte en wordt alleen gericht gemaaid en afgevoerd met licht materiaal? Voor de bodem lijken beide aardig op elkaar en maakt het beheer het verschil.

Mythe 3: “Een zonnepark komt altijd op boerengrond”

In een dichtbevolkt land als Nederland is land schaars. We willen huizen bouwen, wegen aanleggen, natuur herstellen, bedrijventerreinen aanleggen enz. Boeren staan onder druk door lage prijzen die ze van supermarkten krijgen, steeds hogere eisen van overheden, schulden bij de bank, kritiek uit allerlei kanten, de stikstofproblematiek enz. Geen wonder dat er veel onvrede is onder boeren. Ook zonneparken komen vaak op (voormalige) agrarische grond. Vanuit die hoek komt dus ook een deel van de kritiek op zonneparken.

Toch komen lang niet alle zonneparken op agrarische grond. Ze worden ook ontwikkeld op oude zandwinlocaties (op water), op vuilnisbelten, en bedrijventerreinen. Hier in de buurt heeft een stad land bestemd voor de aanleg van een flink bedrijventerrein. Dat gaat in fasen. Een deel wordt op korte termijn ingericht. Een deel pas over 15 of 20 jaar. Dus komt op dat deel een zonnepark dat tzt ruimte moet maken voor bedrijven. Op vuilnisbelten kan, door de vervuilde grond, sowieso weinig gedaan worden. Vaak prima locaties voor een zonnepark. En die zandwinningsplassen zijn enorme kunstmatige meren die verder nauwelijks een functie hebben. Door er drijvende zonnepanelen op te leggen, wordt die ruimte gebruikt. Het is dus zeker niet zo dat zonneparken altijd op agrarische grond komen. Waar we ze aanleggen is vooral een politieke keuze. Vergunningverleners (gemeenten) bepalen waar ze komen en waar niet.

Mythe 4: “Straks hebben we niks meer te eten door al die zonneparken”

In het verlengde van voorgaande mythe hoorde ik zelfs mensen beweren dat we straks niks meer te eten hebben omdat al die zonneparken onze voedselproductie zullen verlagen. Allereerst is de oppervlakte van al die zonneparken samen een klein percentage van de totale oppervlakte aan land die voor voedselproductie wordt gebruikt. Volgens onderzoek zal in 2030 zo’n 0,7 procent van de gronden die nu een landbouwbestemming hebben worden benut voor zonneparken. Als je langs een zonnepark rijdt lijkt het vaak enorm. Maar feitelijk hebben we het dus over nog geen procent van alle landbouwgrond.

Maar daarnaast exporteren we op dit moment fors meer voedsel naar het buitenland, dan we importeren. Ook gebruiken we flink wat grond voor de sierteelt en bollenteelt (niet eetbaar, vaak met enorm veel gif, zo’n 1,5 procent van de landbouwgrond), het verbouwen van suikerbieten (geen gezonde voedingswaarde, 4,3% van de landbouwgrond) en gebruiken we zo’n 10% voor snijmaïs (erg inefficiënt om via deze omweg aan eiwit te komen). Als de voedselvoorziening in gedrang komt, zijn er nog wel een paar andere opties om veel meer voeding uit dezelfde oppervlakte te halen. Een stop op de verdere groei van vervuilende sierteelt en bollenteelt bijvoorbeeld.

Mythe 5: “Zonneparken zijn niet nodig; we moeten eerst alle daken vol leggen”

Natuurlijk is het zonde om schaarse grond te gebruiken voor iets dat ook elders kan. Daarom is de zonne-ladder ontwikkeld. Daarin staat dat zon-op-dak de voorkeur heeft, op de voet gevolgd door onbenutte bebouwde locaties en op infrastructurele projecten. Daarna komt zon-op-land lang snelwegen en dergelijke. Gevolgd door recreatiegebieden e.d. en pas als laatste agrarische grond. Eigenlijk is het simpel: iedereen ziet zonnepanelen liever op daken dan op de grond.

Maar waarom doen we dat dan niet? Allereerst gaat er in zowel de subsidieverlening als de vergunningverlening veel mis. De SDE+-subsidie beloont projecten met de laagste kWh prijs. En ontwikkelen op land is vaak gewoon goedkoper dan op een dak. Dus kregen die projecten voorrang op projecten op daken. Ondanks dat de landelijke overheid de zonneladder onderschrijft. In de aankomende ronde(n) zou dat beter geregeld moeten worden. Laten we het hopen.

Maar dat neemt niet weg dat zon-op-land nodig is om de afspraken in bijvoorbeeld het klimaatakkoord van Parijs te halen. Veel van die grote loodsen en distributiecentra op bedrijventerreinen en langs snelwegen hebben een constructie die de panelen niet kan dragen. De bouwnormen hielden ten tijde van de bouw geen rekening met de mogelijkheid er later zonnepanelen op te leggen. Daardoor vallen veel daken helaas af als optie. Ook zijn er dakeigenaren die het gewoon niet willen of er niet aan toe komen. Ze dwingen kan helaas niet. Daar kan betere wetgeving helpen. En dan is er nog een categorie daken die afvalt doordat ze niet goed op de zon gericht zijn of te veel bomen aan de zonkant hebben. En zelfs als we erin zouden slagen om binnen een paar jaar alle geschikte daken vol te leggen met zonnepanelen, is de oppervlakte nog te weinig om zonder zon-op-land de doelstellingen te halen.

Mythe 6: “Er komt altijd een lelijk hek om een zonnepark heen”

Veel zonneparken hebben zo’n groot lelijk hek eromheen. Dat is meestal een eis van de verzekering om diefstal moeilijk te maken. Die hekken vormen ook een barrière voor wild. Daarmee kan een gebied waar voorheen reeën, vossen, egels, dassen enz zaten, ineens afgesneden worden van het gebied ernaast. Vanuit ecologisch oogpunt zijn die hekken dus meestal geen goed nieuws. Gelukkig zijn er wat opties.

Bij sommige parken wordt aan de onderkant van het hek een stukje open gelaten. Voldoende voor bijvoorbeeld egels en vossen om te passeren, maar klein genoeg om de Zware Jongens tegen te houden. Een andere optie is de aanplant van een gemengde inheemse haag of struweel. Soorten als meidoorn, sleedoorn, wegedoorn, vuilboom enzovoorts vormen na enkele jaren een goede barrière voor dieven en tegelijk houden ze de panelen uit het zicht en bieden ze schuilplaats en voedsel voor allerlei insecten, zoogdieren en vogels. In mijn ogen zouden veel meer zonneparken hekloos ontwikkeld moeten worden. Laten we hagen en struwelen aanleggen rond die parken!

Overigens valt er ook wat te zeggen om hier en daar juist wel een hek rond een zonnepark te plaatsen. Veel akker- en weidevogels hebben last van vossen die de eieren stelen. Weidevogels zullen niet nestelen in een zonnepark, want die willen open land. Akkervogels nestelen juist wel in zonneparken. Voor die soortengroepen zou een hek dat naast dieven ook vossen tegenhoudt juist positief kunnen uitpakken.

Paarse dovenetel en diverse grassen en kruiden op zonnepark Vierverlaten

Hoe zonneparken kunnen bijdragen aan de biodiversiteit

Of een zonnepark bijdraagt aan de biodiversiteit in een gebied hangt dus grotendeels af van de keuzes die gemaakt worden. Als dat slim wordt gedaan, kan zo’n park allerlei dieren helpen in een gebied. Het helpt natuurlijk als dat meteen vanaf de eerste ontwerpfase wordt meegenomen. Want dan kan een slootje nog even verbreed worden, een hek vervangen door een struweel en kunnen de panelen nog met kleine kiertjes op de tafels geschroefd worden. Ook kan de rijafstand tussen de rijen panelen wat groter worden gemaakt. Dan past er wat minder vermogen op een hectare, maar krijgt bloemrijk grasland iets meer ruimte. Dat kan een afweging zijn.

Maar ook het beheer maakt veel uit. In veel gevallen zijn allerlei inheemse kruiden en bloemen wel aanwezig in de omgeving. Soms kunnen die geïntroduceerd worden door op de juiste plekken wat inheemse (liefst streekgebonden) bloemenmengsels te zaaien. Of dat een succes wordt, hangt vooral af van het beheer daarna. Op rijke grond zal eerst een paar jaar verschraald moeten worden door meerdere keren per jaar te maaien en af te voeren. Op arme grond hoeft dat minder vaak. Timing speelt een belangrijke rol. Idealiter wacht je tot de gewenste planten gebloeid hebben, zaad hebben gevormd én zaad hebben laten vallen en maai je daarna.

Omwonenden en lokale overheden kunnen een belangrijke rol spelen in de keuzes die gemaakt worden. Vaak zijn de zonneparken van grote internationale projectontwikkelaars vooral gericht op zoveel mogelijk opbrengst per hectare. Kleinere ontwikkelaars met wat meer binding met de regio staan daar vaak anders in. Als een energiecoöperatie betrokken is, of omwonenden daadwerkelijk serieuze inspraak en zeggenschap hebben, is de inpassing vaak ook beter. En overheden kunnen allerlei kaders stellen waarbinnen ecologie geborgd wordt.

Tips voor meer biodiversiteit in een zonnepark

Natuur is overal anders. Dus voor elk zonnepark moeten andere afwegingen gemaakt worden. Toch zijn er wel wat tips te geven die meestal zullen helpen:

  • Zorg voor kleine kiertjes van ongeveer een centimeter tussen de panelen op een tafel.
  • Probeer waar mogelijk hekken te vervangen door gemengde hagen, struwelen en sloten.
  • Gebruik je planten om een zonnepark aan het zicht te onttrekken? Kies dan altijd inheemse, streekgebonden soorten, en mix altijd meerdere soorten door elkaar.
  • Probeer in de beplanting een bloeiboog voor bestuivende insecten op te nemen. Insecten vormen vaak de basis van het leven omdat ze zelf ook voedsel zijn voor allerlei andere dieren.
  • Voorzie bestaande sloten aan één kant van een natuurvriendelijke oever door die wat breder en minder steil uit te graven.
  • Heb je ergens een overhoekje in een natte zone? Leg daar een poel aan. Verbindt die niet met de sloten, zodat er geen vis in kan komen.
  • Heb je ergens een overhoekje in een droge zone? Plant daar vaste planten voor insecten en vogels. Denk aan inheemse kruidachtigen en struiken de op verschillende momenten bloeien en schuilplek vormen.
  • Steek veel aandacht in het maaibeheer. Het juiste beheer maakt echt het verschil.
  • Leg onder een rij panelen aan de zonkant een walletje arme grond aan. Het liefst op een droge plek onder de panelen, maar in de zon. Veel solitaire bijen nestelen bij voorkeur in dat soort open grond. (wellicht kun je de grond van het verbreden van de sloot hergebruiken?)
  • Vaak is snoeiwerk nodig of moet ergens wat gekapt worden om een ingang te creëren of ruimte te maken. Dat is niet altijd erg. Gebruik dat hout om takkenrillen aan te leggen met vrijwilligers. Dat is leuk om te doen, goed voor de betrokkenheid, en belangrijker: supernuttig om egels, vogels, insecten enz een schuilplek te geven.

Een zonnepark is eigenlijk altijd beter voor de natuur dan een regulier beheerde akker. Op grasland ligt dat genuanceerder. Dan zijn het vooral de keuzes die gemaakt worden die bepalen of een zonnepark een ecologische meerwaarde heeft. Maar die ruimte is er zeker. Als we daar met z’n allen voor kiezen, kunnen zonneparken prachtige plekken zijn waar allerlei dieren en plek hebben.

Met dank aan Grunneger Power voor de foto’s van Zonnepark Vierverlaten. (Zie ook dit artikel over de insecten en vogels in dat zonnepark)

Remi van Beekum on LinkedinRemi van Beekum on Twitter
Remi van Beekum
Permacultuur/voedselbos @ De Hommelgaard
Permacultuur/voedselbos @ de Hommelgaard | Ondernemer @ Kiemfabriek | online communicatie voor duurzame/sociale bedrijven | gitaarmuziek | duurzaamheid | man van Cecile | vader van Emily | Eext/Drenthe